Martinus (Martin) van Deursen
Rotterdam, 4 augustus 1920 - Rotherham, Yorkshire, 8 november 1999DEURSEN van (Martinus, roepnaam Martin), geboren te Rotterdam op 4 augustus 1920. Hij woont in 1944 met het ouderlijk gezin op het Rotterdamse Noordereiland, op het adres Prins Hendrikkade 141b. Bij de razzia van 10 november 1944 wordt Martin opgepakt, hij is dan 24 jaar en arbeidsanalist en assistent planning in de wagonfabriek bij Allan & Co, Wagon en Meubelfabriek in Hillegersberg. Martin moet via de Oranjeboomstraat naar het Feijenoord Stadion en later op de dag in omgekeerde richting naar de Nassaukade om plaats te nemen in een van de Rijnaken. De groep van Martin komt terecht in het ijskoude ruim van het aardappelen-transportschip “De Westerschelde”. De boten vertrekken ’s avonds en komen de volgende dag aan in Amsterdam, daar moeten de mannen het schip verlaten. Wanneer ze weer vertrekken komt Martin, in een groep van zo’n 100 man, terecht op een patrouilleboot, waar hij, in de kou, op het dek moet staan. Via het IJsselmeer en Kampen gaat de boot naar Zwolle, waar de mannen aan wal gaan. Ze moeten twee uur lopen naar Kamp Wezep (de Prinses Margrietkazerne), waar zij op 12 november 1944 aankomen. Martin verblijft daar bijna twee weken en hij verveelt zich enorm. Het leven in het kamp bestaat vooral uit wachten: van de ene maaltijd tot de andere en dan tot het slaaptijd is. Als er al opwinding is, is dat meestal niet goed, zoals op de dag dat drie jongens worden gefusilleerd. “Ketelbinkie” is een geliefd liedje in het kamp; vooral de eerste regels beginnend met “Toen wij uit Rotterdam vertrokken …” kan men de mannen regelmatig horen brullen. Op 23 november 1944 vertrekt Martin met een grote groep. Een trein brengt de mannen van Wezep, via Hengelo en Enschede, naar het in Essen gelegen station Steele, waar de mannen twee dagen in de stilstaande trein moeten doorbrengen. Daarna worden zij in de ijzige kou met een trein zonder ruiten naar Hamm gebracht, waar zij op 26 november 1944 aankomen. Onderweg zien de mannen aan een stuk door kapotgebombardeerde treinen, locomotieven, fabrieken en woonhuizen. Ook Hamm is zwaargehavend en biedt de arriverende mannen een troosteloze aanblik. De omstandigheden zijn ellendig. Het Lager tocht aan alle kanten, het eten komt nooit op tijd en is te weinig, de meeste mannen hebben onvoldoende kleding, geen shag en geen zeep om hun vuile goed te wassen. Alle mannen worden tewerkgesteld bij de Reichsbahn. Martin komt bij het onderdeel Betriebswerk (remise), maar er is vrijwel geen werk. Om de mannen bezig te houden zoeken de Duitsers werk voor hen, maar doorgaans zijn het overbodige klussen. Vanaf het begin ligt het werk vaak stil door het aanhoudende luchtalarm, waardoor de mannen veel tijd moeten doorbrengen in schuilkelders. Voor Martin geldt bovendien dat hij heel vaak ziek is, waardoor hij niet kan werken. Dat speelt al de eerste werkdag, wanneer hij vanwege een dikke en pijnlijke keel (opgelopen tijdens het transport naar Duitsland) in bed blijft. Later raakt hij wekenlang aan de diarree, moeten zijn handen en voeten worden verbonden (pijnen veroorzaakt door klompschoenen, infecties en zweren), krijgt hij lichte bronchitis, geelzucht en uiteindelijk gesloten t.b.c. Daarnaast is Martin vaak gespannen en voelt hij zich dikwijls somber. In de vroege ochtend van 1 december 1944 vertrekken Martin en twee bekenden, met hun bagage, uit het Lager. In Werne, ten westen van Hamm, worden de mannen aangehouden door een agent en teruggestuurd naar Hamm, waaraan de mannen, moe en ontmoedigd, netjes gehoor geven. Wanneer Martin wel werkt moet hij eerst mee met een 25-tons kraanwagen en moet hij allerlei vervelende klussen verrichten. Later krijgt hij vanwege zijn gezondheidsproblemen licht werk, zoals het sorteren van kleding en de uitgifte van olie. Om hun karige rantsoenen aan te vullen gaan Martin en andere mannen geregeld “de boer op”: klusjes verrichten voor mensen in ruil voor eten, drinken en sigaretten. Gedurende enige tijd hebben zij bij Frau Scharpf een vast “adres”, maar dit houdt op wanneer de burgerbevolking begin januari 1945 geëvacueerd wordt. Gaandeweg merken de mannen dat de geallieerden oprukken. Dat is zichtbaar en hoorbaar maar ook merkbaar aan de leefomstandigheden van de Duitse bevolking en die van henzelf. Half februari 1945 wordt Hamm tweemaal zwaar gebombardeerd, de spoorbaan is flink beschadigd, waardoor er nog maar amper treinen kunnen rijden. De laatste weken van maart brengen de mannen vooral in de schuilkelders door, overdag en ’s nachts. Rond 1 april krijgen alle mannen hun ontslagbewijs van de Reichsbahn. Martin besluit met twee bekenden op pad te gaan, om op eigen gelegenheid Rotterdam te bereiken, maar dat lukt niet. Na omzwervingen, waarbij de mannen bij boeren werken, eten en slapen, komen zij op 11 april 1945 in handen van de Amerikanen. In kampen in Cappenberg en Haltern, waar Martin een paar keer optreedt als tolk tussen Engelsen en Nederlanders en Engelsen en Fransen, moeten ze op hun vertrek wachten. Naarmate de tijd verstrijkt gaat Martin zich steeds beroerder voelen. Hij heeft last van zijn borst, een kou in zijn hoofd en dooie handen en voeten. Op 19 mei 1945 wordt Martin met een auto naar Mecklenbeck bij Münster gebracht en maakt dan deel uit van een transport van 2.400 mannen die met goederentreinen naar Nederland worden gebracht. Via Maastricht komt Martin in Eindhoven, waar hij wordt ondergebracht in Augustunus Klooster. Daar worden de mannen ontluisd en gekeurd. Martin blijkt “gesloten t.b.c.” te hebben (niet besmettelijk) en wordt opgenomen in een noodziekenhuis in Eindhoven, waar hij Prinses Juliana ontmoet. Door alle omstandigheden is Martin enorm afgevallen en heeft hij “uitstekende” botten, zo ernstig dat hij een met lucht gevulde rubber ring krijgt om op te zitten. Op 3 juli 1945 wordt Martin met een Rode Kruiswagen naar Rotterdam vervoerd. Daar wordt hij in de Van der Takstraat opgevangen door zijn vader. Een jaar later kan hij weer aan het werk bij zijn oude werkgever. Na de oorlog trouwt Martin met een Britse vrouw en wordt hij vader. Hij overlijdt op 8 november1999 in Rotherham, Yorkshire, Engeland, 79 jaar oud. Via zijn moeder is Martin een neef van de in Rotterdam geboren striptekenaar Johannes Andries (Jan) Kruis (1933-2017).
Bron: Stadsarchief Rotterdam
Het leven tijdens de oorlog van Martinus (Martin) van Deursen
1944Opgepakt bij de Razzia van Rotterdam
Overleden in Rotherham, Yorkshire
Bronnen
Dit zijn de bronnen die bij Oorlogsbronnen bekend zijn over deze persoon.
Razzia van Rotterdam en Schiedam
Archiefstukken van Stadsarchief Rotterdam in aanvulling op het onderzoek naar de slachtoffers van de razzia van Rotterdam en Schiedam op 10 en 11 november 1944 en hun biografieën.
Bekijk de bronAanbieder
Stadsarchief RotterdamRazzia van Rotterdam en Schiedam
Ron Schuurmans maakte biografieën van de slachtoffers van de razzia van Rotterdam en Schiedam op 10 en 11 november 1944. Dit was de grootste razzia die de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft gehouden. Bij deze razzia zijn ongeveer 52.000 van de 70.000 mannen van 17 tot en met 40 jaar oud uit Rotterdam en Schiedam weggevoerd.
Bekijk de bronAanbieder
Stadsarchief Rotterdam
Afbeelding van Martinus (Martin) van Deursen
Ontbreekt een portretfoto, of kan je ons helpen met een betere afbeelding van Martinus (Martin) van Deursen, dan kan je deze hier toevoegen. Ook is het mogelijk om de bestaande portretfoto beter bij te snijden.
Heeft u bezwaar tegen de vermelding van deze persoon?
Laat het ons weten door een e-mail te sturen naar info@oorlogsbronnen.nl



