Pieter Jacob Uitterlinde
Barendrecht, 29 september 1921 - s-Gravendeel, 21 maart 2004UITTERLINDE (Pieter Jacob), geboren te Barendrecht op 29 september 1921. Begin 1924 verhuist hij met zijn ouders van Ridderkerk naar Rotterdam. Later verhuist het gezin naar Kethel en vervolgens naar ’s-Gravendeel. Daar woont hij ook wanneer hij eind augustus 1944 in ondertrouw gaat met zijn in Kethel wonende verloofde. Ze willen snel trouwen, maar wanneer “Dolle dinsdag” zich aankondigt, besluiten zij hun huwelijk uit te stellen tot de snel verwachte bevrijding. Maar wanneer die uitblijft, willen ze niet langer wachten. Op 9 november 1944 vindt de huwelijksvoltrekking plaats in Kethel. Pieter en zijn vrouw kunnen in Kethel hun intrek nemen in een huisje van een tante, maar het is niet verwarmd. In de ochtend van 10 november 1944 gaat Pieter houthakken om de kachel aan te maken. Hij doet dit in een geleend ketelpak en geleende klompen. Zijn gewone kleren liggen in Overschie, in het huis van een zwager, en in zijn trouwpak wil hij niet werken. Hij is net bezig wanneer twee gewapende Duitse soldaten hem sommeren mee te komen. Pieter is dan 23 jaar en aannemer. Hij moet naar de als verzamelplaats dienstdoende houthandel Van Stolk, toevallig zijn werkgever. Hij ziet zijn eigen gereedschappen staan. Via de snelweg moet hij met de andere mannen lopend naar Delft, waar ze overnachten bij de Technische Hogeschool. ’s Ochtends moeten de mannen naar het treinstation en daar ontmoet Pieter de drie broers van zijn vrouw, zij zijn ook opgepakt bij de razzia. Ze beloven bij elkaar te blijven. Sommige mannen zien kans om op het station te ontvluchten. Via Amersfoort rijdt de trein verder oostwaarts en dan realiseren de mannen zich dat het gerucht dat zij in Overijssel moeten werken, niet klopt. De trein rijdt door tot het doorgangslager Dachau, waar het wemelt van de wandluizen. Wanneer de mannen moeten douchen, zijn ze bang dat er gas zal uitkomen en geen water, maar die vrees blijkt ongegrond. Voor de tewerkstelling worden de mannen geselecteerd op beroep. Zijn zwagers zijn boerenzonen en om bij hen te kunnen blijven moet Pieter zich ook zo voordoen, maar wanneer hij moet antwoorden dat hij nog nooit een koe heeft gemolken, krijgt hij een andere bestemming dan zijn zwagers. Eerst wordt Pieter ingedeeld bij een groep die massagraven moet graven voor de slachtoffers van bombardementen en later moet hij naar Eisenach, aan de Oostenrijks-Hongaarse grens, om tankvallen te graven. De omstandigheden zijn door de kou en sneeuw zeer zwaar en met drie andere jongens uit Kethel en Rotterdam, besluit Pieter te vluchten. Maar al snel, zo rond 5 december 1944, worden de mannen aangehouden in een bos en overgebracht naar een gevangenis in Oberwart. Ongeveer drie weken later moet Pieter naar een werkkamp in een bos, hij moet houthakken en versjouwen. Na enige tijd mag hij het werkkamp verlaten en wordt hij met de drie andere mannen tewerkgesteld bij een melkfabriek in Graz. Piet moet met een Hongaarse vrachtwijder, die Piet al het werk laat doen, bussen melk afleveren bij winkeliers. Pieter krijgt werkkleding en is dan eindelijk verlost van zijn klompen. Op haar verzoek wordt Pieter bijrijder van een Oostenrijkse vrouw, die actief is in de zwarte handel; Pieter deelt in de opbrengst. Rond Pasen 1945 wordt Graz zwaar gebombardeerd en wanneer de Russen in aantocht zijn krijgen Pieter en de drie andere mannen “Heimkehrer”-papieren. Hun terugreis moeten ze zelf regelen. Bij Regensburg stuiten ze op een Amerikaans front en kunnen dan niet verder. Ze horen dat ze zijn bevrijd. Met een Amerikaanse vrachtauto worden de vier mannen naar Würzburg gebracht en vervolgens naar Etrepy, waar ook de Rotterdammers uit Neurenberg-Zollhausen verblijven en waar Pieter zijn drie zwagers weer ontmoet. Omdat het westen van Nederland nog niet is vrijgegeven, kunnen de mannen nog niet naar Rotterdam. Pieter wil niet in Etrepy blijven en zegt dat hij naar Zevenbergen moet, waar hij een kennis heeft wonen. Hij krijgt toestemming om te gaan, en zijn drie zwagers weten hetzelfde te regelen. Met de trein gaan zij naar Breda en vandaaruit worden zij door padvinders geëscorteerd naar Zevenbergen. Daar is een aardappelschipper bereid om de mannen naar Rotterdam te varen. Ze moeten, met nog 28 mannen, onderdeks gaan. Bij de Persoonshaven, achter de Oranjeboomstraat, verlaten de mannen het schip. Ze schrikken ervan dat de mensen in Rotterdam er zo mager uitzien. Eén zwager gaat naar Overschie en Pieter gaat met de twee andere zwagers naar Kethel. Juist die dag ligt zijn vrouw ziek in bed, maar wanneer ze hoort dat haar man onderweg is, staat ze toch op. Na de oorlog wordt Pieter vader. Hij overlijdt in ’s-Gravendeel op 21 maart 2004, 82 jaar oud.
Bron: Stadsarchief Rotterdam
Het leven tijdens de oorlog van Pieter Jacob Uitterlinde
1944Opgepakt bij de Razzia van Rotterdam
Overleden in s-Gravendeel
Bronnen
Dit zijn de bronnen die bij Oorlogsbronnen bekend zijn over deze persoon.
Razzia van Rotterdam en Schiedam
Ron Schuurmans maakte biografieën van de slachtoffers van de razzia van Rotterdam en Schiedam op 10 en 11 november 1944. Dit was de grootste razzia die de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft gehouden. Bij deze razzia zijn ongeveer 52.000 van de 70.000 mannen van 17 tot en met 40 jaar oud uit Rotterdam en Schiedam weggevoerd.
Bekijk de bronAanbieder
Stadsarchief Rotterdam
Afbeelding van Pieter Jacob Uitterlinde
Ontbreekt een portretfoto, of kan je ons helpen met een betere afbeelding van Pieter Jacob Uitterlinde, dan kan je deze hier toevoegen. Ook is het mogelijk om de bestaande portretfoto beter bij te snijden.
Heeft u bezwaar tegen de vermelding van deze persoon?
Laat het ons weten door een e-mail te sturen naar info@oorlogsbronnen.nl



