Willem (Bill) Boldingh is op 20 januari 1920 in Batavia geboren en woont in 1940 in Amersfoort. Hij studeert Indisch Recht in Utrecht. In de trein ontmoet hij Adri Mooij. Ze maken plannen om via Engeland naar Nederlandsch-Indië te gaan om tegen het Japanse leger te strijden. Twee dagen na het overlijden van Adri's vader vertrekken ze. De eerste etappe gaat naar Zwitserland. In Turnhout nemen ze de trein naar Luik, waar ze een paar dagen bij een vriendin logeren. Dan nemen ze de trein naar Namen, waar ze ook een goed contactadres hebben. Ze krijgen wat Frans geld en steken te voet de grens over. Dan nemen ze de trein naar Besançon en stappen een halte voor de Zwitserse grens uit. Ze besluiten door 50 centimeter diepe sneeuw de grens over te gaan, maar lopen Zwitserland in en ook weer uit; de grens heeft daar veel kronkels. Ze slapen in een hooiberg en horen de volgende dag dat ze weer in Frankrijk zijn! De boer wijst hen naar de grens, die 400 meter verderop over de heuvel ligt. In Les Ferrières nemen ze de trein naar Bern. Daar vallen ze door de mand, doordat hun horloges een uur voorlopen. Ze worden op 11 december 1941 naar de gevangenis in Neuchâtel gebracht. Na enkele uren worden nog vier cadetten van de KMA binnengebracht (Dick van Ardenne, Frans Crince le Roy, van Welsem en Jimmy White). Twee dagen later mogen Adri en Bill met de trein naar Bern. Daar gaan ze eerst naar de Nederlandse delegatie en daarna naar de Engelse. Ze worden door de Engelsen verhoord, die blij zijn met de informatie over vliegbasis Soesterberg die Adri bij zich heeft. Daarna worden ze naar Genève gestuurd, waar ze ondergebracht worden in Hôtel du Lac in Vesenas. Acht maanden moeten ze daar blijven. Adri gaat naar het Engelse consulaat om zich aan te melden voor een opleiding tot geheim agent, maar Bill wil liever naar Nederlandsch-Indië. Adri vertrekt in april 1942 naar Engeland, Bill blijft nog even in Zwitserland. Bill komt op 4 oktober in Barcelona aan. De Nederlandse consul aldaar zet hem op de trein naar Cadíz. Daar stapt hij aan boord van de Cabo de Buena Esperanza, die hem via Lissabon naar Curaçao brengt. Hij neemt dienst bij het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger en wordt tien dagen later naar Suriname gebracht. Daar verblijft hij 30 maanden in een kamp. Als prinses Juliana het kamp bezoekt, wordt hem - met anderen - het Kruis van Verdienste opgespeld. Voordat hij Suriname begin 1945 verlaat, verlooft hij zich met de Surinaamse Maartje van Mozijk. In Australië wordt Boldingh pelotonscommandant bij 2 INF I KNIL. Per KNSM-schip wordt zijn peloton naar Batavia gebracht, waar ze in oktober 1945 aankomen. De Indonesische revolutie is dan in volle gang, maar hij wil liever de strijd niet aangaan, het is immers zijn geboorteland. Hij wil eigenlijk de militaire dienst verlaten en zich vestigen in Australië of Nieuw-Zeeland. Hij wordt naar Batavia gestuurd om zich bezig te houden met Sectie Inlichtingen. In 1950 krijgt hij negen maanden Europees verlof. Hij bezoekt zijn familie in Nederland, dient 18 maanden bij de Koninklijke Landmacht en emigreert in september 1952 naar Nieuw-zeeland. Bill Boldingh is op 29 mei 2005 in Nieuw-Zeeland overleden.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders