Pieter Johannes Koene is op 13 september 1918 in Westzaan geboren. Hij haalt zijn diploma's gemeente-administratie (3 jaar), burgerlijke stand en bevolkingsboekhouden. Hij is hij enige tijd gemeentesecretaris in Sint Laurens, belast met 'administreren van een distributieapparaat.' Dan verhuist hij naar de Bilderdijkstraat 60 in Den Haag en werkt hij als adjunct-commies op Binnenlandse Zaken op een afdeling die moet voorkomen dat valse paspoorten in omloop komen. Hij leert er veel over het vervalsen van persoonsbewijzen. Op 10 mei 1940 geeft hij, als buitengewoon dienstplichtige, leiding over een aantal rekruten op de vliegvelden Valkenburg en Ypenburg. In maart 1941 wordt hij veroordeeld tot zeven dagen hechtenis wegens contacten met een illegale organisatie en het beledigen van een Duitse soldaat. In 1942 voorziet hij de redactie van de verzetsgroep Vrij Nederland van informatie en helpt hij bij de verspreiding van de VN-krant. Ook wordt hij secretaris van VN-leidsman Hendrik Hos. Als zijn verloofde wordt gearresteerd weet Pieter dat de Duitse politie hem op de hielen zit. Op een boerderij bij het krankzinnigengesticht Port Natal, het onderduikadres van Vrij Nederland in de buurt van Assen, houdt hij zich enige tijd verborgen. Zijn portret is overal in Nederland te zien op Opsporing Verzocht-affiches. Op 5 augustus 1942 wordt Pieter gearresteerd in een café tegenover het station in Breda. Op het politiebureau wordt hij avond na avond ondervraagd en mishandeld, waarbij hij zijn vervalsingen en betrokkenheid bij de VN-groep uiteindelijk bekent. Vanaf 10 september verblijft hij in het Huis van Bewaring in Scheveningen (het ‘Oranjehotel’). Dagelijks wordt hij naar Binnenhof 7 vervoerd voor verder verhoor. De Duitsers zien Pieter als een grote vangst, ze willen van hem informatie over de VN-groep. De Gestapo-bazen Bäcker en Schmidt en de hoge SD’ers Harders en Frank zijn daarom steeds bij de verhoren aanwezig. Op 16 september ’42 is Pieter ’s avonds op het Binnenhof voor een nieuw verhoor. Tijdens de ondervraging wordt hij hardhandig geconfronteerd met de man van wie hij eerder zendapparatuur in ontvangst heeft genomen (ene ‘Schoonderbeek’). Om 22.15 uur wachten zij met hun bewakers en Harders en Bäcker in de hal van Binnenhof 7 op de vrachtwagen die hen zal terugbrengen naar het ‘Oranjehotel’. Als ze naar buiten lopen ziet Pieter dat men heeft verzuimd het sleuteltje uit zijn handboeien te halen. Beseffend dat dit zijn laatste kans is, smakt hij Harders tegen de grond, slaat Bäcker met handgeboeide vuisten op het hoofd en zet het op een lopen. De chauffeur van de vrachtwagen springt hem op de rug, maar Pieter weet zich los te rukken. Er vallen twee schoten, maar die raken hem niet. De Duitsers denken dat hij in de duisternis is ontkomen, maar in werkelijkheid houdt Pieter zich schuil achter een deur in de Hofstraat. Tien minuten later hoort hij de vrachtwagen vertrekken. Hij rent naar de overkant en mengt zich tussen het publiek dat zojuist de bioscopen op het Buitenhof en in de Passage heeft verlaten. Hij loopt naar de Obrechtstraat 436, de woning van zijn vriend Dick Meijst. De volgende ochtend neemt hij met zijn vriend Wim Botterweg de trein naar Amsterdam, vanwaar ze doorreizen naar Gieten. Om op krachten te komen verblijft Pieter daar twaalf dagen in een pension aan De Brink. In de weken erna houdt hij zich verborgen op verschillende adressen in Utrecht. Hij ontmoet daar Tineke Kloetmeijer, die hem vertelt dat VN-baas Hos is gearresteerd. In IJmuiden vindt hij een schuilplaats bij A. Verhoef in de Vrolijklaan 26. Verhoef helpt hem aan een plan om samen met Taco van Tijn naar Frankrijk te ontkomen. Van Tijn zorgt voor (valse) Belgische persoonsbewijzen. Op 26 oktober brengen Pieter en Taco de nacht door op het adres Amstellaan 108 in Amsterdam. Ze worden de volgende dag de grens over geholpen door Tjeu Beelen en nemen de trein naar het Frans Dijon. Ze hebben 11.000 Belgische francs en 7.000 Franse francs bij zich, afkomstig van de VN-groep. De tocht verloopt zonder problemen. In Dijon krijgen ze hulp van ene ‘Picard’ in de Rue des Bons Enfants, hij zorgt ervoor dat ze veilig Perpignan bereiken. Daar kan de Nederlandse helper van vluchtelingen en Engelandvaarders, Joop Kolkman, weinig voor hen doen omdat het Duitse leger inmiddels ook het zuidelijke deel van Frankrijk heeft bezet. Kolkman helpt hen wel aan een vals Frans persoonsbewijs en 100 peseta’s de man. In het Hotel de la Source ontmoeten ze ene ‘Speyer’, die hen een route naar Spanje wijst. Zonder problemen bereiken ze het Spaanse plaatsje Osseja. Daar sluiten ze zich aan bij de Nederlandse Engelandvaarders Ed Barten en Wim Gaillard. Met hulp van gids ‘Abraham’ reizen ze door Spanje, maar in december 1942 worden ze door de Spaanse politie gearresteerd. Tot 17 januari 1943 verblijven ze in gevangenissen in Lérida en Zaragoza en in een kamp bij Irun. Pieter slaagt erin de gevangenisdirecteur wijs te maken dat hij de Zuid-Afrikaanse nationaliteit heeft, waarna ze op 22 mei met hulp van het Britse consulaat mogen doorreizen naar Madrid en vervolgens naar Lissabon. Op 18 augustus 1943 arriveren ze per KLM-vliegtuig in Engeland. Zijn ondervragers in de Patriotic School kunnen zijn spectaculaire ontsnapping op het Binnenhof maar moeilijk geloven. Hij weet hen echter te overtuigen door het noemen van tal van details: kamer 20 op nr. 6 is het kantoor van Gestapo-chef Bäcker, kamer 21 dat van diens collega Harders en Gestapo-dienstleider Schmidt zetelt op kamer 19. Ook verstrekt hij informatie over vele tientallen met de bezetter samenwerkende burgemeesters, ambtenaren, rechters, politiefunctionarissen en NSB'ers. Ondervrager Wolters noteert over hem: ‘Een keurige, flinke en moedige jongeman.’
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders