Karel August Mans, op 11 november 1913 in Madjalenga (Nederlands-Indië) geboren, weet eind 1943 via Barcelona naar Engeland te reizen. Op 16 maart 1944 komt hij in Liverpool aan. In Engeland wordt hij capabel en betrouwbaar bevonden en bij het Nederlandse Bureau Inlichtingen opgeleid tot geheim agent. Op 5 augustus worden Mans en zijn collega Martin Sutherland met vier postduiven boven het Zuid-Hollandse dorp Groot-Ammers gedropt met de opdracht in Nederland uit te zoeken of zendapparatuur in Duitse handen is gevallen; ook moet hij een nieuwe verzetsgroep oprichten. Mans neemt contact op met de spionagegroepen Albrecht en Packard en stelt zich op de hoogte van de betrouwbaarheid van diverse agenten en locaties. Terwijl Sutherland een zendpost in een leegstaande fabrieksloods bij Utrecht installeert, gaat Mans naar Groningen om daar een aantal seinposten op te zetten. Deze zendgroep krijgt de naam ‘Vuurtoren’. Begin oktober worden enkele agenten uit Engeland overgevlogen om die posten te bemannen. Op 10 november 1944 slaat het noodlot toe: Mans gaat een pand binnen dat net daarvoor door de Duitse Sicherheitsdienst (SD) is binnengevallen. Mans wordt in de boeien afgevoerd naar het hoofdkwartier van de SD in Groningen, het Scholtenshuis. Zijn dossier zit vol met rapporten en verhoren over wat er daarna gebeurde: hij bezwijkt onder de ondervragingen van de SD en verraadt tal van verzetsmensen, onder wie zijn kameraad Sutherland. In april 1945 wordt hij in het dan bevrijde deel van Nederland dat hij heeft weten te bereiken gedurende drie dagen over de gebeurtenissen in Groningen ondervraagd. Mans verklaart dat hij werd verhoord door een Duitser met ‘dun blond haar achterover gekamd, hoog voorhoofd, rond bol gezicht, tamelijk gezet, blonde ‘Mephisto’-wenkbrauwen, dikke worsthanden, verzorgde indruk’. Hij probeerde eerst zo min mogelijk prijs te geven, maar nadat hij ‘in zijn zaadballen geknepen was’ brak hij en verried hij onder meer de verstopplek van een agent met de codenaam ‘Dobbelaar’. Dobbelaar verklaarde na de oorlog: „Ik stond in de slaapkamer toen de achterdeur van de tuin werd opengetrapt. Direct ben ik naar mijn schuilplaats gegaan (een dubbele kast) en had deze juist weer gesloten toen een groep Duitsers met Nederlanders de slaapkamer inkwamen. Ze begaven zich onmiddellijk naar de plaats waar de zender verborgen was.’ Twee Duitsers doken de kast in en haalden er kleren uit. Toen stuitten ze op de achterwand waarachter Dobbelaar verscholen zat. ‘Dort ist Papier angeklebt, da sitzt nichts. Der Fogel ist geflogen‘, concludeerden ze. Gefrustreerd gingen de SD’ers de woonkamer in, waar ze de bewoner van het huis vroegen waar de radiotelegrafist was. De man antwoordde dat die een week geleden was vertrokken. Dobbelaar: ‘Hij schijnt daarna een klap in het gezicht te hebben gehad en werd door twee schoten gewond; 10 minuten daarna maakte een derde schot een eind aan zijn leven.’ Mans was getuige van dit drama, inclusief de reactie van de vrouw en kinderen van het slachtoffer, wat grote indruk op hem maakte. Die avond slaagde hij erin uit het Scholtenshuis te ontsnappen doordat zijn boeien hem niet strak genoeg waren omgedaan. Hij klom uit een raam negen meter boven de grond en wist langs een richel en regenpijp de straat te bereiken. De officier die Mans verhoorde wist niet of hij diens verhaal moest geloven. Was Mans niet vrijgelaten door de SD om als dubbelagent méér mensen te verraden? Uiteindelijk concludeerde de verbalisant dat dit waarschijnlijk niet het geval is, omdat er ‘verder geen ongelukken zijn gebeurd’ na Mans’ ontsnapping. Na de bevrijding doet Mans verslag bij zijn chef bij Bureau Inlichtingen, Jan Somer, en stelt Somer voor hem voor zijn verraad de zwaarst mogelijke straf te geven. In zijn boek ‘Zij sprongen in de nacht’ schrijft Somer over Mans: ‘Zij, die de gang van zaken hebben bestudeerd en alle omstandigheden tegen elkaar hebben afgewogen, kwamen ten slotte tot de conclusie, dat Mans een zwak ogenblik heeft gehad, toen hij in de klauwen van de SD zijn mond voorbij praatte. Zij hebben bemerkt hoe zwaar Mans gebukt ging onder zijn fout, toen hij zelf voorstelde de zwaarste militaire straffen daarvoor te willen ondergaan. Hij heeft, zonder formeel te zijn berecht, zijn boetekleed gedragen, volkomen bewust, dat niet alleen hij, doch ook vele anderen diep hebben geleden door zijn zwakheid. Ligt het op de weg van buitenstaanders, van wie velen niet beseffen welke loodzware verantwoordelijkheden een geheim agent in oorlogstijd heeft te dragen, om te oordelen over iemand, die zich zijn hele leven de kwelling van een zwak ogenblik zal blijven herinneren?" Mans ging in zijn verdere leven gebukt onder een enorm schuldgevoel, zo blijkt uit twee brieven van hem. Aan zijn meerdere in Engeland schreef hij: ‘Het vertrouwen, dat u en vele anderen in mij gesteld hebben, ben ik niet waardig geweest.’ Aan zijn moeder liet hij weten dat er ‘nog velen zijn die ik om vergiffenis zou willen vragen, maar ik kan ze niet bereiken.’ De eerste die hij om vergeving wilde vragen was zijn collega Martin Sutherland, die Mans’ verraad overleefde. Een briefje aan een kennis van Sutherland, waarin Mans vraagt om het adres waarop hij Sutherland kan bereiken, komt echter per kerende post retour.
Bron: Digitaal Monument Engelandvaarders
Karel August Mans (Majalengka (Nederlands-Indië), 11 november 1913 – Haarlem, 18 februari 1981) was een geheim agent met de schuilnaam Vuurtoren en Engelandvaarder. Na zijn aankomst in Engeland ging hij voor het Bureau Inlichtingen werken. Hij werd boven Nederland gedropt en werkte vanaf zijn dropping in de nacht van 4 op 5 augustus 1944 tot zijn arrestatie op 10 november 1944 voor een groot aantal verzetsgroepen als radiotelegrafist. Na zijn arrestatie sloeg hij door en werden veel mensen opgepakt. Zelf wist hij te ontsnappen en de oorlog te overleven.
Bron: Stichting WO2Net | Oorlogsbronnen.nl